Snel zonder gehaast te klinken. Ruw en ongepolijst, maar nooit té hard. Dat zijn de eerste indrukken bij 侍栽培四 van de Spaanse producer Juan Rico (Reeko). Deze vierde release op SAIBAI – het sublabel van Samurai Music – illustreert perfect de overkoepelende visie van het label. SAIBAI trekt bewust weg van de traditionele drum-’n-bass-dansvloer om de deuren te openen voor een bredere, abstractere interpretatie van snellere genres.
Voor Reeko betekent dit een interessante spagaat. Normaal gesproken opereert hij in de technosnelheden van 125-130 bpm, waardoor deze sprong naar 160 BPM qua tempo absoluut buiten zijn reguliere comfortzone ligt. Toch hoort de kenner direct dat hij zijn signature sound nergens loslaat. In plaats van zijn stijl te veranderen, plooit hij zijn kenmerkende, donkere techno-handtekening naadloos naar de wetten van de versnelling. Hij gebruikt de mechanische, repetitieve energie van techno en tekno niet om plat te knallen, maar om verstilde, hypnotiserende luisterstukken te bouwen.
Waar hardere stijlen op een hoog tempo al snel opgefokt of plat kunnen aanvoelen, blijft de sfeer hier filmisch en gelaagd. Op 'Gathering 1' treden diepe, dubtechno-achtige elementen naar de voorgrond, wat resulteert in een bezwerend effect. Op 'Gathering 2' ligt de ritmische urgentie en de versnelling een stuk hoger (met zelfs een subtiele knipoog naar gabber-intensiteit), maar nergens neemt de haast de overhand; de vloeiende flow blijft constant bewaard.
Hoewel 'Gathering 1' door zijn tastbare, diepe sfeer de persoonlijke favoriet is, zijn beide tracks absoluut het luisteren waard. Een ijzersterke release die bewijst dat Reeko's hypnotiserende geluid ook op hoge snelheid moeiteloos overeind blijft.
'Het leuke aan schrijven over muziek is dat je regelmatig nieuwe dingen opgestuurd krijgt. Onlangs stuitte ik zo op Laura Misch, een Britse zangeres, saxofoniste en producer uit Zuid-Londen. Ze begon haar muzikale weg in de Londense jazzscene en bracht eerder al de goed ontvangen EP's "Playground" en "Lonely City" uit, evenals haar debuutalbum "Sample the Sky". Misch staat erom bekend dat ze haar saxofoon en zang live in laagjes over elkaar heen legt met behulp van looppedalen. Door dit live loopen creëert ze in haar eentje een organisch, elektronisch klanktapijt dat klinkt als een volledige band.
Bij een eerste luisterbeurt lijkt haar muziek misschien softe jazz met een relaxte flow die aan bijvoorbeeld Sade doet denken. Maar wie beter luistert, ontdekt al snel dat Misch haar muziek veel gelaagder is en zich minder makkelijk laat ontleden. Haar stemgeluid roept bovendien sterke herinneringen op aan zowel Sade als Tracey Thorn (Everything But The Girl): warm, redelijk laag, een tikkeltje sensueel en doordrenkt met een mooie melancholie. Hoewel de sound van EBTG natuurlijk heel anders is, past die vocale gelijkenis perfect vind ik.
Wat deze ontdekking voor mij extra interessant maakt, is haar filosofie. Misch houdt zich intensief bezig met de ecologie van muziek en de noodzaak van verlangzaming. Dat zijn tegenwoordig misschien hippe termen, maar ze zijn helaas ook hard nodig in een maatschappij die doldraait. Haar thematiek draait om echt weer tijd maken om naar muziek te luisteren en het bewust te laten binnenkomen. Zelf ben ik de laatste tijd ook bewuster op zoek naar die verlangzaming, waardoor haar visie me meteen aanspreekt. Voor haar nieuwste release "Lithic" trok ze bijvoorbeeld bewust de natuur in om composities te schrijven in directe interactie met de buitenwereld, zoals in oude grotten en steengroeven.
"Lithic" is het album waarmee ik haar muziek leer kennen. Waar veel muziek waarover ik schrijf heel elektronisch, abstract en bevreemdend is — denk aan de drum & bass van Samurai Music of de funky breaks van Plug — sluit Misch juist meer aan bij het normale leven. Toch is het geen vluchtige hap-slik-weg-pop. Dit album ademt; ondanks de rijke gelaagdheid is er altijd een zekere lucht en zelfs stilte in de muziek aanwezig. Het geeft bij elke luisterbeurt weer intrigerende nieuwe details prijs. "Lithic" is een rustgevend en toegankelijk album dat een streling is voor het oor en geduld beloont.
'Inferno', het nieuwe album van Boards of Canada, is uit en de verwachtingen zijn hoog gespannen. Ik heb BOC altijd graag gehoord; hun geluid — gruizige, melancholische electronica met een retro-fotofilter erover — blijft me aantrekken, maar vaak klinkt het ook als: dezelfde sfeer, net andere schuifjes. Dat op zich is niet per se een bezwaar; veel bands blijven binnen een herkenbaar palet werken.
Wat op 'Inferno' opvalt is dat ze subtiel verschuiven. Er zitten etnische accenten in die ik eerder niet zo duidelijk bij hen herkende, en soms hoor je ook shoegaze-achtige texturen die het vertrouwde geluid vergroten zonder het te verloochenen. De magische, betoverende stemsamples zijn er nog altijd — die blijven een handtekening.
Kortom: Inferno klinkt goed en bevat fijne variaties op waar BOC zo sterk in is; het is niet radicaal nieuw, maar het voelt als een zorgvuldige uitbreiding van hun universum. Voor wie houdt van hun kleurpalet is dit opnieuw verplicht luisterwerk; voor wie kritischer is, is het vooral een interessante vraag over hoe waarde en mystiek in de hedendaagse releasecultuur verbonden raken.
Een samenwerking tussen Plaid en John Tejada roept vanzelf verwachtingen op. Beide namen hebben intussen zo’n stevige staat van dienst in de elektronische muziek dat je haast automatisch op zoek gaat naar een opvallende botsing of een briljante nieuwe synthese. Bij de eerste luisterbeurt kwam die ontlading voor mij niet meteen helemaal binnen, maar na enkele herhalingen begon de release zich pas echt te openen. Wat eerst eerder beheerste kwaliteit leek, bleek achteraf langzaam onder de huid te kruipen.
Wat mij hier vooral treft, is hoe sterk de samenwerking leunt op het bestaande karakter van Plaid, maar dan met net wat meer spanning en drive. Ik hoor in deze tracks nog altijd vooral hun herkenbare melodische verfijning en die licht hoekige, bijna speelse manier van componeren, maar de productie geeft dat geheel meer lucht, diepte en pit. Dat is precies wat Tejada lijkt toe te voegen: geen dominante stempel, maar ruimte, balans en een zekere ruimtelijkheid. Zijn aanpak lijkt minder te draaien rond sound dan rond een werkwijze: subtiel, analytisch, met een voorkeur voor analoge texturen, imperfectie en het idee dat minder vaak meer zegt.
Dat sluit ook mooi aan bij wat deze release zelf over de samenwerking vertelt. 'Start Motion' is niet zomaar een losse ontmoeting, maar een verderzetting van een langere artistieke band, na eerdere remixes en hun eerste gezamenlijke release 'Bittersweet'. De twee tracks voelen daardoor niet aan als een geforceerde crossover, maar eerder als een natuurlijk vervolg op een gedeelde geschiedenis. Tejada’s gevoel voor groove, pacing en melodische helderheid komt er samen met Plaids harmonische detailzin en licht surrealistische vormgevoel. Het resultaat is geen radicale breuk, maar een verfijnde samenkomst van twee werelden die elkaar duidelijk begrijpen.
Ook de context helpt dat gevoel te versterken: de release werd in Los Angeles gemaakt tijdens een hete winterperiode in 2026, met een hybride setup van synths en software. Dat hoor je in de balans tussen warmte en precisie. 'Start Motion' bouwt traag momentum op, met ritmische lagen en melodische verschuivingen die zich geleidelijk ontvouwen, terwijl 'Chilla' lichter en losser aanvoelt, maar onder die soepelheid nog altijd veel detail verbergt. Het is muziek die niet per se meteen met de deur in huis valt, maar die juist wint aan karakter zodra je haar wat tijd geeft.
Ik vind het een verdienstelijke samenwerking, en ik zou eerlijk gezegd gerust een volledig album in deze lijn willen horen. Niet omdat het een spectaculaire reset van beide artiesten zou moeten zijn, maar omdat precies dit type samenwerking iets laat horen wat in losse catalogusluisters soms moeilijk te vatten is: hoe een sterke, uitgesproken stijl niet verdwijnt, maar net dieper kan gaan ademen wanneer een andere producer de ruimte slim opent.
Ik heb al lang een zwak voor de producties van Martin Van Rossum, de Nederlandse producer die inmiddels in Zwitserland woont en onder de naam Martin Nonstatic een bijzonder eigen universum heeft opgebouwd. Mijn eerste kennismaking met zijn werk liep via Carbon Based Lifeforms, via wiens muziek ik bij het Franse label Ultimae belande — een plek waar ambient, psy en cinematic invloeden vaak naadloos in elkaar overvloeien. Het label waar Martin Nonstatic zijn muziek ook uitbrengt.
Hoewel veel van mijn muziekvrienden die typische Ultimae-sound nooit echt hebben omarmd — “te filmisch”, “te veel psy-ambient” — heeft het label bij mij altijd iets geraakt. Vooral Martin Nonstatic zijn sound blijft terugkomen in mijn luister- en mixpraktijk. Wat ik daarbij interessant vind, is hoe goed zijn tracks werken buiten dat typische Ultimae-kader. Wanneer je ze naast ander, minder voor de hand liggend materiaal plaatst — iets wat ik zelf ook vaak gedaan heb — ontstaat er vaak net dat beetje extra spanning. Zijn kenmerkende ruimtelijke, ritmische dubgeluid geeft een mix ademruimte én richting.
Met "Laniakea" zet Van Rossum die lijn moeiteloos verder. Het album voelt als een reeks zorgvuldig opgebouwde klanklandschappen, ergens tussen kosmisch en aards, gedragen door beats die soms loom voortkabbelen en dan weer subtiel aandringen. Zijn gevoel voor ruimte en textuur blijft daarbij centraal staan.
Voor mij persoonlijk blijft "Pulsatile" (2023) zijn sterkste plaat tot nu toe, maar Laniakea beklijft wel degelijk. Het is een album dat tijd nodig heeft en vooral werkt als je bereid bent je eraan over te geven. Voor wie openstaat voor de typische Ultimae-signatuur, en een beetje psy-invloeden niet schuwt, is dit absoluut een waardevolle luisterervaring — en misschien zelfs een uitnodiging om Ultimae zelf (opnieuw) te verkennen.
De titel "Sounds from the Sea Bottom 1995-2000" verwijst naar de polder waar deze tracks werden opgenomen: Lelystad, in Flevoland, die provincie die volledig uit polder bestaat. En dat landschap hoor je op een manier ook terug in de muziek: open, vlak, eigenzinnig en met net genoeg ruwheid om te blijven hangen.
TV99AD zijn voor mij oude bekenden. Back in the day stonden we in 2000 samen op de Techno Tourist EP, en deze opnames komen ook uit die periode — uit de tijd dat de heren nog jongens waren. Niet zo vreemd dus dat de sound hier sterk aan die vroege releases doet denken, net als aan hun Eevo Lute Musique-plaat met “The Keyprocessor”. Tegelijk hoor je op hun recente releases nog altijd heel duidelijk die typische TV99AD-signatuur terug. Er is natuurlijk veel veranderd, maar de kern is gebleven: gezamenlijke jamsessies, een gedeelde muzikale taal en nog altijd een hoorbare nieuwsgierigheid naar geluid.
Wat ik daar zo sterk aan vind, is hoe tijdloos dit blijft. Sommige muziek kun je meteen op een jaartal plakken, maar bij TV99AD lukt dat mij eigenlijk niet. Ik ben hun discografie de laatste tijd weer aan het herbeluisteren en ik kan zelden denken: “aha, dit is uit de jaren 90” of “nee, dit is recent.” En net dat vind ik een groot compliment. De muziek draagt zijn periode niet als last, maar als bron.
De openingstrack “First Ice” zet voor mij meteen die typische TV99AD-sound neer: die hoekige beat, dat baslijntje, echt sterk. Wat ik ook fijn vind, is dat je hun muzikale smaak er echt in hoort doorschemeren. Ik volg Hans en Pieter zelf ook op Bandcamp, en dat helpt natuurlijk om die lijn extra te voelen tussen hun inspiratie, hun manier van werken en het eindresultaat.
Alles samen is dit een release die in 2026 nog altijd stevig overeind blijft staan, maar tegelijk ook heerlijk nostalgisch aanvoelt. Een plaat die niet probeert hip te zijn, maar gewoon zichzelf blijft — en precies daardoor zo goed werkt.
The Energy of Presence van Vardae is een EP waar ik niet zo goed weet wat ik ermee moet, en dat bedoel ik niet negatief. Het gevoel van de tracks zit goed—er zit duidelijk een sfeer en intentie in die werkt—maar er wringt ook iets.
Vardae keert na een jaar terug bij Samurai Music met vier nieuwe tracks die zijn kenmerkende mix van drum & bass en moderne techno verder uitdiepen. ‘Grounded Attachment’ opent met een soort sonar-achtige puls en een gebroken beat die meteen de toon zet. ‘Magnetic Flux’ gaat een stuk directer, met een hoog tempo en een snijdende acid lead. Op ‘Electric Feelings’ blijft dat tempo aanwezig, maar wordt het ritmisch iets lichter en wendbaarder. De titeltrack ‘The Energy of Presence’ is dan weer het meest melodieus, en schuift richting dub techno met een hoekige groove. Het toont hoe veelzijdig Vardae is, en hoe goed hij hypnotiserende muziek kan neerzetten.
Er is voor mij iets in de snelheid dat blijft schuren. Bij een pure drum & bass beat, of toch hoe wij die gewoon zijn, voelt dat vanzelfsprekend: het rolt, het klopt, het landt. Hier heb ik dat minder. Het lijkt soms “off”, alsof het net te snel gaat voor wat het wil doen. Ik zeg snel, want nergens wordt het echt hard zoals gabber, en toch zit het rond de 170 BPM. Dat spanningsveld maakt het vreemd, maar ook interessant.
Ik merk dat ik daar ergens wel van hou—dat muziek mij een beetje triggert, alsof de producer zegt: kom, doe eens een beetje moeite om mee te zijn. In die zin voelt dit ook verwant aan wat Samurai Music vaker doet: de grens opzoeken en de luisteraar licht uit evenwicht brengen.
Wat me nu vooral benieuwd maakt, is hoe een DJ dit gaat gebruiken in een set. Dit voelt niet als een tool, maar eerder als een moment—iets dat je erin gooit als vreemde creatieve eend in de bijt, om de flow even open te breken en de aandacht terug scherp te stellen.
Geen makkelijke EP, maar wel een die blijft nazinderen. Soms is dat precies wat muziek nodig heeft.
Dany Rodriguez keer met "New Departure" terug naar EPM Music en presenteert een album dat balanceert tussen retrospectie en vernieuwing. De release bundelt eerder uitgebrachte tracks op zijn eigen label Link-Audio, aangevuld met nieuw werk, en valt ondanks die verschillende oorsprong mooi samen tot één geheel.
Wat opvalt, is de veelzijdigheid. Veel tracks hebben een duidelijke clubfunctionaliteit, maar komen minstens even goed tot hun recht op de koptelefoon. Rodriguez toont hier een scherp gevoel voor detail en spanningsopbouw, zonder het grotere geheel uit het oog te verliezen.
Op ritmisch vlak kiest hij vaak voor broken beats in plaats van de klassieke four-to-the-floor. Dat geeft het album een eigenzinnige flow, terwijl de dansbaarheid intact blijft — een mooie balans tussen experiment en toegankelijkheid.
De eerste twee tracks zetten meteen de toon. Opener “Resist” ademt Detroit-invloeden en lijkt subtiel te knipogen naar Underground Resistance. “Thru The Machines” volgt met een bijna etherische sound en een perfect geplaatste beat — een klassieker in wording.
Voor mij is dit zo’n release die blijft groeien naarmate je ze vaker opzet.
Met deze filtercombinatie hebben we geen releases gevonden. Pas je filters aan en probeer opnieuw.