Overslaan en naar de inhoud gaan
menu
Amelie Lens, gemaakt door Claudia Baumlin

Het echte probleem is niet dat rechts techno "toe-eigent"

Een opiniestuk over de recente kritiek rond het aankomende evenement van Amelie Lens aan het KMSKA.

03/06/2026 / Pieter-Jan Nerinckx

In een recente post geeft de Belgisch-Duitse artiest Hypnoskull felle kritiek op de komst van een evenement van Amelie Lens aan het KMSKA. Volgens hem toont het evenement hoe techno vandaag wordt toegeëigend door rechtse politici en verworden is tot “een lege soundtrack van het laatkapitalisme”. De aanwezigheid van conservatieve politici op bepaalde evenementen zou bewijzen dat de oorspronkelijke waarden van de cultuur verraden zijn.

Hypnoskull benoemt daarbij enkele bestaande spanningen. Publieke ruimte wordt ingenomen door een commercieel evenement. Het Antwerps stadsbestuur gebruikt techno als uithangbord voor de Scheldestad. Een artiest en een stadsbestuur versterken elkaars imago. En een muziekcultuur die mee ontstond in gemarginaliseerde gemeenschappen wordt losgerukt van haar geschiedenis.

Dat verdient kritiek. Alleen maakt Hypnoskull vervolgens een te grote sprong.

Het fundamentele probleem is niet dat één burgemeester conservatieve overtuigingen heeft en evenmin dat techno plots door rechts is “gekaapt”. Het zit hem in een breder bestuursmodel waarin steden cultuur steeds vaker inzetten als economisch instrument. 

In het Antwerpse stadsbestuur zit trouwens niet alleen N-VA, maar ook Vooruit, dat nota bene de cultuurschepen heeft aangeleverd. De komst van dit evenement kan dus moeilijk worden herleid tot de persoonlijke overtuiging van één politica. Het probleem is veel structureler dan dat.

Een discussie die al dertig jaar aan de gang is

Discussies als deze doen het soms lijken alsof techno pas recent gecommercialiseerd is of nu pas wordt “geïnfiltreerd” door mensen die er niet thuishoren. Dat klopt historisch niet echt. Dat gevoel bestaat al veel langer.

Al sinds de jaren negentig zijn er discussies over commercialisering. Van de eerste megaraves en festivals zoals MAYDAY in Duitsland tot de komst van superclubs zoals de Boccaccio in eigen land, telkens ontstond dezelfde discussie. Wat is nog underground en wat is commercieel? Wat is authentiek en wat is mainstream?

Ook in de Belgische scene woedde die discussie al aan het begin van de jaren negentig. Het Belgisch housemagazine Out Soon was niet te spreken over de “houseclowns” die zich dj noemden, de major labels die nu ook techno uitbrachten en de dure discotheken die enkel op geld uit waren.

In december 1993 bracht het magazine zelfs een antipopulariseringsnummer uit. De redactie kondigde aan strenger te zullen zijn in het selecteren van bepaalde muziek en events. Enkele nummers later, in april 1994, kwam er een nieuwe rubriek: Strictly Underground. Daarin riep het magazine zichzelf uit tot de enige spreekbuis van de echte housecultuur.

Toch was die positie over commercialisering ergens eigenaardig. Wie door enkele nummers van het magazine bladert, vindt advertenties van Maes, Coca-Cola, Marlboro, Citibank, J&B Whisky en Sony Music. Dat terwijl Out Soon in december 1993 nog waarschuwde voor “de inmenging van de grote sponsors”. House mocht geen “geldmachine” worden.

Dat maakt hun kritiek niet noodzakelijk waardeloos. Maar het toont wel dat de grens tussen underground en mainstream nooit helemaal zuiver is geweest.

De voortdurende discussie over wat nog authentiek underground is en wat al tot de commerciële mainstream behoort, maakt ook gewoon inherent deel uit van subculturen. Die interne spanningen zijn geen teken dat een scene haar betekenis verloren heeft. Integendeel, subculturen leven net van die frictie.

De commercialisering van rave gebeurde bovendien snel. Free party's, commerciële clubs, grote festivals, DIY-labels, major labels, tijdschriften, dj-sterren bestonden niet als volledig aparte werelden. Ze liepen voortdurend in elkaar over. En al zeker in Europa.

Techno is vandaag moeilijk nog als één afgebakende subcultuur te beschouwen. Het is een brede muziekcultuur waarin commerciële spelers, undergroundinitiatieven en alles daartussen naast elkaar bestaan. Toch blijven discussies over authenticiteit en commercialisering typische subculturele mechanismen.

Wie vandaag doet alsof er ooit een volledig zuivere, niet-commerciële technoscene heeft bestaan, kijkt met een erg romantische blik naar het verleden.

Techno en politiek

Dat techno en politiek met elkaar verweven zijn, valt moeilijk te ontkennen.

House ontstond in Chicago, techno in Detroit. Beide genres ontwikkelden zich in specifieke stedelijke contexten. Zwarte en queer gemeenschappen speelden een cruciale rol en stonden aan de wieg van de vroege house- en clubcultuur. In Detroit-techno hadden ook afrofuturistische ideeën een sterke invloed.

Denk maar aan het activistische collectief Underground Resistance van Mike Banks, Jeff Mills en Robert Hood. Het collectief bracht in 1992 platen uit als Fuck the Majors, een expliciete kritiek op de grote, vaak witte platenlabels die economisch succes roken in Europa. Underground Resistance ging bewust de strijd aan met racisme en commercialisering.

Maar niet elke house- of technoscene vertaalde die politieke dimensie in explictiet activisme. De politieke betekenis zat vaak ook in het creëren van safe spaces of in het tijdelijk ontsnappen aan maatschappelijke uitsluiting.

Hypnoskull herinnert ons terecht aan die politieke geschiedenis. Alleen volgt daar niet uit dat techno nu door rechts is gekaapt of dat een evenement enkel legitiem is wanneer organisatoren, artiesten en de bezoekers dezelfde overtuigingen delen als sommige pioniers van het genre.

Zelf verwijt hij de Antwerpse burgemeester haar conservatisme. Maar schuilt er in zijn redenering niet ook een behoudsgezinde opvatting van cultuur? Het idee dat een cultuur bewaakt moet worden door een beperkte groep en dat haar betekenis min of meer onveranderd en bewaard moet blijven?

Zo werkt cultuur toch niet?

Muziek verspreidt zich. Ze verandert van betekenis, wordt soms misbruikt, soms verrijkt en soms volledig losgerukt van haar oorspronkelijke context. Dat maakt de kritiek op toe-eigening zeker niet zinloos. Maar cultuur laat zich nu eenmaal niet bevriezen in een tijdscapsule.

Dat een conservatieve burgemeester trots uitpakt met zo'n commercieel event, toont hoe bruikbaar mainstreamtechno is geworden voor citymarketing. Maar het zegt weinig over de bredere technocultuur, waarin ook vandaag, net als in de beginjaren trouwens, nog uiteenlopende commerciële en niet-commerciële scenes naast elkaar bestaan.

Het echte probleem zit in de publieke ruimte

Interessanter is voor mij daarom een andere vraag: moeten zulke commerciële evenementen publieke ruimte innemen voor private winst?

Tickets zullen tussen de 39 en de 59 euro de deur uitgaan. Voor het evenement wordt de ruimte voor het KMSKA ingezet als decor voor een commercieel evenement. Dat debat verdient meer aandacht dan de persoonlijke overtuigingen van één burgemeester en de wat vage link tussen techno en rechtsconservatisme.

Want stel dat exact hetzelfde evenement georganiseerd werd onder een links stadsbestuur: zou de kritiek dan verdwijnen? Waarschijnlijk niet.

Ook in steden met progressieve of linkse besturen worden grootschalige commerciële evenementen georganiseerd in de publieke ruimte. Denk maar aan Hangar in Brussel, dat de nogal problematische slogan “Turning Cities into Stages” gebruikt. Alsof steden enkel interessant zijn wanneer ze als decorstuk kunnen dienen voor dure events.

Ook hier wordt cultuur ingezet vanuit een kapitalistische logica en als instrument van citymarketing.

Dat betekent niet dat een stad als Antwerpen alleen inzet op zulke commerciële prestige-evenementen. De stad ondersteunt ook plekken zoals Kavka, Het Bos en De Studio waar ruimte bestaat voor experiment en een programmatie die niet louter vanuit een commerciële logica vertrekt. Ook elektronische muziek krijgt daar een plaats.

Het gaat hier dus niet om een zwartwitverhaal. Een stadsbestuur is geen monolithisch blok met slechts één enge visie op cultuur. Hoewel het Antwerpse culturele veld over het algemeen meer onder druk staat, zie je toch dat uiteenlopende beleidskeuzes en vormen van ondersteuning naast elkaar bestaan. 

Maar net daarom is het ook relevant om te kijken welke evenementen toegang krijgen tot de meest zichtbare publieke ruimte en welk beeld van de stad daarmee naar voren wordt geschoven. Een werkingssubsidie voor een plek waar jongeren kunnen experimenteren is niet hetzelfde als een commerciële publiekstrekker die een museumplein inneemt dat normaal gezien echt een ontmoetingsplek voor lokale jongeren is en daarbij stevige centen verdient.

Het probleem zit dus niet noodzakelijk in de ideologie van de bestuurders, maar in een bestuursmodel waarin cultuur steeds vaker wordt beoordeeld op haar economische meerwaarde. En dat zowel door linksprogressieve als rechtsconservatieve politici.

Wanneer een publieke instelling zoals het KMSKA wordt ingezet als een mooi stukje decor voor een event als dit mag daar zeker een legitieme discussie over ontstaan. Alleen gaat die discussie niet in de eerste plaats over de persoonlijke politieke voorkeur van één burgemeester. Ze gaat voor mij vooral over hoe steden vandaag omgaan met publieke ruimte.

Hypnoskull haalt dat zelf ook aan in zijn betoog. Alleen krijgt het jammer genoeg een minder prominente plek dan zijn aanval op de vermeende samenwerking tussen techno en rechts.

Hij eindigt zijn post met de woorden:

“There’s plenty of high quality aware non-commercial techno and underground initiatives and crews out there who still bear the initial spirit of the genre. Try those. Don’t be a part of this sad and empty play.”

En daarin heeft hij eigenlijk gelijk. Er bestaan vandaag nog altijd tal van crews en initiatieven die op een andere manier werken. 

Het bestaan van grote commerciële feesten betekent dus niet dat techno als cultuur is gekaapt. Want hoe je het ook draait of keert, dit soort events maken eigenlijk al meer dan 30 jaar deel uit van de bredere technocultuur.

Kopfoto: © Claudia Baumlin